Vragen van cursisten
Vooraf: hoe begrijpelijk ook, de cursus is niet bedoeld als gespreksgroep voor theologische vragen, ook al zullen die zijdelings aan de orde komen. Hieronder ga ik kort in op de vragen die jullie gesteld hebben. Mocht je niet tevreden zijn met mijn antwoord, laat het dan vooral weten! Dan ga ik er dieper op in.
V: Hadden we zonder dat Jezus geleefd had, inclusief zijn dood en opstanding, een kerk?
A: Het antwoord is: nee. Het is trouwens de vraag of het ooit Jezus’ bedoeling was om een aparte kerk te stichten; het ging hem meer om een radicaal begrip van de (joodse) Geboden, door Jezus samengevat in het grote gebod: God liefhebben boven alles, en je naaste als jezelf.
V: Wie geeft de voorganger het recht namens God te spreken?
A: De enige die ‘namens God’ spreekt is Jezus, Gods ‘vleesgeworden Woord’ (Joh.1). En de Bijbel. Verder is het de kerk (in engere of bredere zin) die, afgeleid daarvan, de predikant het recht geeft om Gods Woord uit te leggen en te verkondigen. Dat wordt bij ons (PKN) landelijk geregeld, en daar hoort een gedegen opleiding bij, waarin h/zij o.a. leert om Gods Woord en de actualiteit op elkaar te betrekken. Bij zijn bevestiging zegt de predikant (en de ouderling, en de diaken) dat h/zij ervan overtuigd is dat God hem door deze gemeente tot het ambt heeft geroepen.
Teken van het vertrouwen dat de gemeente in zijn voorganger heeft, is de symbolische handdruk aan begin en eind van de dienst. Mocht een ouderling het niet eens zijn met de verkondiging, dan moet dat (later) in de kerkenraad worden besproken. Het is hem/haar niet toegestaan de hand te weigeren: de handdruk is geen instemming. Het is overigens helemaal niet erg als een verkondiging ‘schuurt’: dat is de vrijheid en onafhankelijkheid van de predikant, die zich voorts uit in het feit dat hij geen dienstverband heeft met de gemeente, maar een (ook voor de belastingen!) zelfstandige positie. Dit in tegenstelling tot vroeger tijden. Toen gold vaak: ‘wiens brood men eet, diens woord men spreekt.’
De kerkenraad is en blijft ook verantwoordelijk bij de toestemming aan ‘leken’ om voor te gaan. We komen daar in de cursus nog over te spreken. Op dit moment denk ik dat het het veiligste is om niet zélf een preek in elkaar te zetten, maar er een uit te zoeken. Hier komen we zeker tijdens de cursus op terug.
V: Waarom worden er zo weinig opwekkingsliederen bij ons gezongen?
A: Dat heeft te maken met de stijl van de gemeente, met de theologische ‘ligging’, en met wat mensen gewend zijn. In de liedkeuze komt die stijl tot uitdrukking. Wijk je daar te veel van af, dan kan tot vervreemding leiden. Overigens is er een duidelijke ontwikkeling te zien: zie het verschil tussen het Liedboek 1973 en het Nieuwe Liedboek: daarin is veel meer variatie te vinden, er staan óók opwekkingsliederen in, Taizé enz., maar men heeft er bijvoorbeeld wél voor gekozen om de psalmberijming van 1973 niet te veranderen. Toch is die taal voor veel mensen vreemd geworden, en daarom ontstond er op zeker moment een nieuwe psalmberijming. Zo is en blijft de liturgie in ontwikkeling.
V: In het dagblad Trouw stond dat maar 9 procent Gods aanwezigheid had gevoeld.
A: Ik zou zeggen: maar liefst 9 procent heeft Gods aanwezigheid gevoeld! Die aanwezigheid laat zich namelijk niet afdwingen, niet in een kathedraal en niet in de Centrumkerk, niet door Gregoriaans, noch door Opwekking; we kunnen hooguit de obstakels wegnemen die ons verhinderen om zijn aanwezigheid te ervaren. Voor mij persoonljk zijn obstakels: geklets vooraf en tijdens de dienst, een slechte uitvoering van de muziek, een rommelige of te gemeenzame liturgie, een slechte preek. Kortom: voor mij moet een dienst kwaliteit uitstralen, en een zekere plechtigheid: geen vorm om de vorm, maar wel een vorm die helpt om God te ontmoeten. Dat kan voor de een in de preek zitten (maar we moeten die ook weer niet té belangrijk maken), voor een ander in het (stil) gebed, een bepaald lied, of in de zegen.
V: Ik doe mee in het rooster voor de vieringen in Tirrel. Het boek van Stefan Paas “de weg van Vrede” had ik net gelezen. Hierdoor geïnspireerd heb ik een overweging geschreven. Maar hoe doe je recht aan de schrijver en hoe vermeld je dit en moet je dit altijd noemen. In deze overweging voor de viering In de Tirrel had ik genoemd dat ik mijn inspiratie uit het boek van Stefan Paas had gehaald. Schrijf ik letterlijk iets over uit dit boek dan vermeld ik dit.
Maar vaak komen bij mij gedachten en uitleggingen te binnen van verschillende schrijvers. Ik schrijf dan zelf wat ik onthouden heb. Moet ik dan steeds de schrijvers noemen of hoeft dit alleen wanneer je letterlijk citeert. Want de meeste uitleggingen weet ik door lezen en onthouden, maar heb ik niet zelf bedacht. Wat denk ik voor de meeste mensen geldt. Hoe doe je dit correct? Wanneer ik een preek zou lezen die ik gevonden heb op het internet dan zou ik de naam vermelden. Maar moet je van tevoren nog toestemming vragen aan de predikant om dit te lezen in een dienst?
A: Ik denk dat je een schrijver die jou inspireert, het meeste recht doet door eigen woorden te geven aan je inspiratie. Wat heeft jou geraakt? Waar kom je verder mee? Wij worden – als het goed is – geïnspireerd door een veelheid aan boeken, Tv-programma’s, en door ontmoetingen met mensen. Het is ondoenlijk om die allemaal te noemen. Hoe méér je je die inspiratie eigen hebt gemaakt, des te geringer de noodzaak van een bronvermelding. Dat zou ik inderdaad alleen doen bij een letterlijk citaat, of bij het lezen van een preek die door iemand anders is geschreven. Ik zou het netjes vinden om die predikant even te melden dat je dankbaar gebruik hebt gemaakt van wat hij heeft gepubliceerd. Mocht op zijn website staan dat je het alleen mag overnemen ná toestemming, dan doe je dat.
V: Hoe lang moet de overweging duren? Is er een bepaalde richtlijn? Mag je echt je mening geven of is het meer een aanreiking; bjjv. ‘het zou kunnen dat’, of ‘je kunt het zo zien’….. Moet je je aan het preekrooster houden, of mag je, ook zonder reden, ervan afwijken en moet je dit ook afstemmen met de kerkenraad of….?
A: Het hangt van de dienst af hoelang de overweging ‘mag’ duren, maar er is geen vastgesteld aantal woorden of minuten. Zelf houd ik 1200 à 1400 woorden aan (=12 à 14 minuten), dat is ook wel zo’n beetje het maximum om de aandacht vast te houden. Maar je kunt er ook voor kiezen om in plaats van een overweging een wat uitgebreidere inleiding op de hoofdlezing te houden. Dan is 5 minuten ook al wat. Hier kom ik zeker nog op terug tijdens de cursus. Ik weet niet of de persoonlijke ‘mening’ van een predikant wel interessant is voor de hoorder: het gaat om een goede schriftuitleg. En dan mag je best interpretaties naast/tegenover elkaar stellen, áls je het maar kunt uitleggen; de rabbijnen doen niet anders. En je bent vrij om je aan het rooster te houden of niet. Het voordeel van een rooster is dat je ook wel eens iets leest/moet uitleggen wat niet zo bekend is, of waar je mee worstelt.
V: Het evangelie volgens Johannes is het enige evangelie waarin het geboorteverhaal van Jezus en daarmee het kerstverhaal ontbreekt. Ik heb eens een commentaar gehoord bij hoofdstuk 12 van het boek Openbaring (over de vrouw, de draak en de twee beesten) dat je in dit hoofdstuk het kerstverhaal kunt lezen, maar dan beschreven vanuit hemels perspectief. Op deze wijze zou je kunnen betogen dat het kerstverhaal weliswaar niet is opgenomen in het evangelie volgens Johannes, maar wel in het boek Openbaring dat door diezelfde Johannes is geschreven. Gaat dit betoog op?
A: Ik voel mij niet capabel hier een sluitend antwoord op te geven (en het gaat vér buiten de bedoeling van deze cursus), maar vind het wel een hele interessante theorie. Heb je het originele artikel hierover ergens? De overeenkomst is in ieder geval dat in dit hoofdstuk 12 het aanbreken van de Messiaanse tijd wordt gepresenteerd als een geboorte. Een dergelijk beeld komt trouwens ook al in het OT voor. Je krijgt van mij twee commentaren te leen, dan kun je er zelf ook nog eens naar kijken.